Waar Oost en West elkaar ontmoeten

Als ingewijden je proberen te verleiden in de wonderwereld van het mysterie, dan laat je je maar al te graag meevoeren. Als esoterici je met aplomb wetten voorschrijven waaraan het fundamenteel onbeschrijflijke heeft te voldoen, gaat de deur dicht, net als voor de colporteurs in gedrukte waarheden die vroeger ongevraagd met hun boodschap aan de bel hingen.

Wie aandacht vraagt voor de kloof die gaapt tussen het menselijk woord en de werkelijkheid die het menselijk uitdrukkingsvermogen te buiten gaat, heeft in de vrijmetselaarsloge evenveel recht van spreken als degene die denkt symbolen en rituelen tot op het bot van hun betekenis doorgrond te hebben.

Als je vaststelt dat termen als ‘God’ en ‘Hoog beginsel’ niet vanzelfsprekend naar een objectieve realiteit verwijzen, hoeft je nog niet te vervallen in ‘zinloos gebrabbel’ –  zo noemde een briefschrijver het onvriendelijk – als je die termen toch gebruikt. Ze kunnen dienen als vingerwijzing naar het onzegbare, zoals ook in grote literatuur met woorden het geheim van het leven opgeroepen kan worden, zonder dat het exact beschreven wordt.

De taal van de wetenschap is een andere dan die van het wonder. De zelfverklaarde hoeders van de kennis van de hogere esoterie lijken vaak te vergeten dat die kennis pas enige zin krijgt als hij meegedeeld kan worden.

En daar is niet alleen de overtuiging voor nodig dat je iets waardevols te vertellen hebt, maar ook het vermogen dat beeldend en overtuigend onder woorden te brengen. Beschikken ze daar niet over, dan doen ze denken aan die goeroe uit een strip van Johnny Hart die op een bergtop gezelschap kreeg van een eenvoudige zoeker die hem de vraag stelde: ‘O wijze goeroe, denkt u dat wij de enige denkende wezens zijn in het universum?’ en als antwoord gaf: ‘Hoezo wij, stommeling!’

Een grote mysticus als Jan van Ruusbroec trok zich weliswaar terug uit de hectiek van het veertiende-eeuwse Brussel om in het Zoniënwoud nader tot God te komen, hij ontving daar in zijn eenvoudige klooster Groenendaal wel degelijk leergierige zoekers en legde hen zijn inzichten uit.

Dat heeft geleid tot mystieke teksten van grote literaire schoonheid. Zoals deze, uit ‘Vanden blinckenden steen’:

“Want die hemelsche vader wilt dat wij siende sijn, want hi es een vader des lichts. Ende hier omme spreect hi eewelijcke, sonder middel ende sonder onderlaet, in die verborgenheit ons gheests een eenich grondeloes woort ende niet meer. Ende in desen worde spreect hi hem selve ende alle dinc. Ende dit woort en ludet anders niet dan: ‘Siet’.”

Wie niet voelt dat hier een religieuze piekervaring beschreven wordt, kan niet lezen. Ook de vrijmetselarij kan dankzij haar allusieve methode dergelijke openbaringen bieden. De boodschap uit het evangelie van de esoterie en de goede tijding van de maçonnieke methode hoeven niet tegenstrijdig te zijn.

In de loge werken wij in het Oosten én in het Westen, in een ondeelbare twee-eenheid die de oude Chinezen al met hun yin-yang-symboliek verbeeldden. De dualiteit van esoterie en methode bestaat alleen in de verbeelding van de apostelen van de blinde letterlijkheid. Het spel dat wij spelen is meer dan de optelsom van de woorden die in het ritueel gebruikt worden. Wie oren heeft om te horen…

Willem Verstraaten

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.