Een vernieuwende loge: Gedachten voor een comparitie van de toekomst

Op het internet doet sinds enige tijd een manifest de ronde waarin opgeroepen wordt tot een herbezinning op maçonnieke bronnen, met een knipoog naar het maçonnieke verleden en naar het vermaarde pamflet van Joan Derk van der Capellen tot den Pol uit 1891 waarmee hij als het ware de Franse Revolutie in Nederland ontketende, en met het oog op een levensvatbare toekomst voor de vrijmetselarij. Ik licht er een klein stukje uit:

“De ware rechtzinnigheid van de vrijmetselaar is de vrijheid van denken en de vrijheid van omgang met alle mannen en vrouwen die ritueel ingewijd zijn volgens de bouw- en lichtsymboliek die vrijmetselaren sinds eeuwen hanteren, en met symbolische inzet van de essentiële vrijmetselaarswerktuigen: passer en winkelhaak, hamer en beitel.”

De methode van de vrijmetselarij is er altijd op gericht grenzen te overschrijden, tegenstellingen te overwinnen, verbinding te leggen tussen mensen, over de generaties heen, en met de toekomst. Daartoe worden de rituelen en symbolen waarvan wij ons bedienen bewust meerduidig gelaten. Zo heb ik het altijd geniaal gevonden dat wij onze heilige woorden niet voluit spreken, maar in uitwisseling spellen.

Ik heb een grote liefde voor de schitterende vorm die vrijmetselaren ooit bedachten om tegenstellingen te overbruggen. Die vorm verdient het in ere gehouden te worden, niet als museaal erfstuk, maar als uiting van de historische continuïteit waarin wij mensen staan.

Toch dreigt ook in maçonnieke kring steeds weer leerstelligheid te ontstaan, terwijl we toch zo beslist dogma’s afwijzen. Misschien speelt daarbij nu een verlangen op naar zekerheid in roerige tijden. Die tijden waren drie eeuwen geleden minstens zo roerig als nu. Toch wisten vrije geesten zich los te maken uit de wurggreep van elkaar bestrijdende sektarische leerstelligheden die een eeuw lang retorisch én terroristisch geweld had opgeleverd.

Vrijmetselaren zetten in de achttiende eeuw een beslissende stap van de Bijbel als wetboek naar de Bijbel als inspiratiebron voor menselijke zingeving. En al gauw werden ook andere religieuze inspiratiebronnen gevonden, dankzij archeologische vondsten en ontdekkingsreizigers: het oude Egypte, de hellenistische denkers, de veda’s en oepanisjads van het Indische subcontinent, de boeddhisten die zónder een oppergoddelijke wetgever toch een weg plaveiden naar de ontsnapping uit menselijk lijden.

Het waren niet alleen de vrijmetselaren die in de eerste helft van de achttiende eeuw het recht opeisten religieuze teksten te lezen als literatuur, metaforisch, allusief, inspirerend. Kort na de oprichting van de Londense grootloge zette Handel een collectie bijbelteksten naar zijn hand in zijn ‘Messiah’, een oratorisch meesterwerk dat zich boven het clericalisme – het klerkendom – van de dienaren van de kerk verhief met een universele boodschap die ook nu nog de ziel beroert van mensen die streven naar verlichting – verlichting van hun levenspad, verlichting van de zorg om het bestaan, verlichting van de ultieme werkelijkheid, zoals dat allemaal met zoveel verve nagestreefd wordt in de loge. Die bijbel is daarbij een inspiratiebron met symbolische waarde, zoals in andere streken de koran of de tora kan zijn. Meeslepend, maar niet wetgevend!

Teksten die mensen lezen, zijn niet uit het niets voortgekomen. Ooit zijn ze gesproken, geschreven, getekend, gegraveerd of ingesneden door mensen, zelfs als die met droge ogen beweren dat God zelve ze hen gedicteerd heeft. Dat geldt voor de Bijbel, die aantoonbaar is samengesteld uit een groot aantal boeken van verschillende auteurs en in verschillende talen, en waarvan arbitrair een collectie is samengesteld door goedgelovigen die het als Boek der Boeken uitverkoren hebben. En passant hebben die zichzelf ook nog eens tot door hun godheid uitverkoren volk uitgeroepen, met het recht ongelovigen te verketteren en desnoods als honden af te maken.

Ook de apocriefe teksten die vrijmetselaren gebruiken, zijn geschreven door mensen. Ze zijn ook nog eens voortdurend herschreven, om ze toepasbaar te maken op een nieuwe werkelijkheid, of domweg uit maçonnieke scheppingsdrang. Merkwaardig dan ook dat er zo’n goddelijk aureool om de teksten van maçonnieke rituelen hangt, en dat ze een status toegedicht wordt die gelogenstraft wordt door de geschiedenis.

Blijkbaar hebben mensen behoefte aan onwrikbare zekerheden, en als de eenmaal aangenomen zijn, worden ze gecanoniseerd tot Waarheden die gelden, onafhankelijk van de context waarin ze geschreven zijn of gebruikt worden.

Waar kom die hardnekkige bewijsdrang van dé waarheid toch vandaan? Waarom lijken we juist in nú weer zo bang te zijn voor vernieuwing van de logearbeid? Waarom in een tijd van sterk teruglopende ledentallen toch steeds dat beroep op het ‘Zo hoort het nu eenmaal in de wereldwijde broederschap’?

Als we de vrijmetselarij zien als een vorm die een inhoud moet omvatten, dan lijkt die vorm nog het meest op een graal van aardewerk waarvan steeds stukken zijn afgebroken en vervolgens weer vervangen door nieuwe baksels om de inhoud niet weg te laten vloeien. Het resultaat is een kleurrijke potpourri van rituelen en symbolen die het hele spectrum van menselijke zingeving omvat. Onderlinge verkettering van vrijmetselaren die hún vrijmetselarij als de enig juiste beschouwen; Al een halve eeuw na de oprichtingen van de Premier Grand Loge of England voelde deze zich geroepen de rivaliserende Ierse grootloge van de zogenaamde ‘Antients’ irregulier te verklaren.

Na de vorming van één Angelsaksisch maçonniek bastion voor het gehele Britse empire in het begin van de negentiende eeuw, gingen grootmachten in Duitsland, Frankrijk en de Nederlanden een eigen weg, lang niet altijd met instemming van de Londense imperialisten. Van één eenduidig geformuleerde ideologie van dé vrijmetselarij is nooit sprake geweest. Godsdienst, religie en vrijdenkerij stonden binnen en tussen loges op gespannen voet met elkaar, en ook de politiek zorgde regelmatig voor disruptie.

De humanistisch gezinde Schröder-ritualen waarmee de Duitse vrijmetselarij zich in de negentiende eeuw ingrijpend vernieuwde; de politieke stellingname van Nederlandse loges in de tijd voor de Franse Revolutie, met het gebekvecht tussen patriottische en orangistische loges; de theosofische elementen die eind negentiende eeuw de maçonnieke beeldentuin wel érg ver oprekten; de Pruisische logefilosofie die in de eerste helft van de twintigste eeuw nationaal-socialisten zeer beviel: vrijmetselarij kan niet anders dan via haar leden de maatschappelijke toestand van de dag weerspiegelen.

Dat geldt natuurlijk ook nu, in de tijd van de nieuwe preutsheid, het verlangen naar oude ‘zekerheden’, de verkokering van identiteiten die vooral bedoeld zijn om duidelijk te maken wie er níet bij horen.

De flirt van Pim Fortuijn met moeders pappot, Thierry Baudet die koket pleit voor de democratie van Hansje Brinkers: het prille derde millennium is doordrenkt van een nostalgie naar mores en leefregeltjes die ook die ooit zo hemelbestormende en baanbrekende vrijmetselarij op moeten sluiten in een Hollands binnenhuisje vol spruitjeslucht, bidprentjes en de cyclus ‘Het Bureau’ van wijlen J.J. Voskuil op een ereplaats op de boekenplank.

Ik sluit me van harte aan bij wat Arnon Grunberg schreef in zijn ‘Voetnoot’ in De Volkskrant: “Nu komt het erop aan te tonen dat je je geschiedenis kunt overstijgen zonder je verleden te verraden.” Dit na geconcludeerd te hebben dat het determinisme het individualisme heeft verslagen. “Je moet vooral in je getto blijven. Aan dat waanidee hebben zowel links (identiteitspolitiek) als rechts (virulent nationalisme) bijgedragen.”

De concurrerende denker van dienst van de NRC zei er in een interview dit over:

“Jezus zegt in de Bergrede dat we ons niet moeten koesteren in verwantschap met gelijkgestemden. We moeten ons afvragen: is het mogelijk om daadwerkelijke betrokkenheid te voelen bij mensen die niet tot jouw wereld behoren?”

Ja, dat is mogelijk. De loge bewijst het. Gelukkig hebben vrijmetselaren over het algemeen de wijsheid behouden om geformuleerde teksten polyinterpretabel te presenteren, niet als wetten maar als wekkende uitspraken. Waarmee je zelf aan de slag moet. Zo kwam ik, mij koesterend in de lentezon, tot een tekst waarvan het mij welgevallig zou zijn als deze ooit onderdeel zou vormen van een rituaal voor vrijmetselaren van de toekomst:

“Op de Zuivere Kubiek ligt het Boek van de Heilige Wet. Ieder van ons heeft de opdracht het met zijn eigen leven invulling te geven. Zij die spreken, weten niet; zij die weten, spreken niet. Wie oren heeft om te horen, die hore.”

In mijn visie is dan dus de Bijbel verdwenen uit ons ritueel. Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat de verwijzingen naar verhalen uit de bijbelse cultuur verwijderd worden. Wel dat de Bijbel (met een hoofdletter) als unieke en verplichte bron van Openbaring voorgeschreven is. Of zoals Arjen Lubach het onlangs zei in een interview in De Volkskrant:

“Of het nu de islam of het christendom is, iedereen die onder invloed van iets onbewijsbaars de vrijheid van anderen wil inperken, moet wat mij betreft vreedzaam op andere gedachten worden gebracht. En wie de wet overtreedt, moet worden berecht.”

Het zou de drempel tot de loge voor vele niet of anders gelovigen al een heel stuk verlagen als we dat boek een bijbel zouden noemen, met kleine letter, dus een boek tout court, en dan ligt de weg open voor ieder ander boek met een boodschap voor het menselijk leven. Dat hoeft voor mij niet per se een blanco boek te zijn, maar het mag, om nou eens buiten de gebaande paden van de monolithische monotheïsmen te treden, ook een alinea uit het eerste hoofdstuk van de ‘Silmarillion’ van Tolkien zijn:

“Then Ilúvatar said to them: ‘Of the theme that I have declared to you, I will now that ye make in harmony together a Great Music. And since I have kindled you with the Flame Imperishable, ye shall show forth your powers in adorning this theme, each with his own thoughts and devices, if he will. But I will sit and hearken, and be glad that through you great beauty has wakened into song.”

Die schoonheid waar Tolkien op doelde is niet christelijk, noch joods nog mohammedaans. Die schoonheid is wél religieus, ontsproten aan het diepste menselijke besef van eindigheid, van ontoereikendheid, en van het daar onverbrekelijk mee verbonden besef van de eigen scheppingskracht.

Schoonheid, kunst, geen waarheid, wetenschap, daar doen wij het voor. Die schoonheid is mijn voornaamste streefdoel bij alle bouwstukken die ik oplever, en niet de waarheid. Die schoonheid, daar deden de kathedralenbouwers het voor. Daar doen ook de ontwerpers van homo sapiens 3.0 het voor. Niet voor robots als handige hulpjes in de huishouding, in de erotiek en in de zorg. Maar voor homo deus, een nieuwe mens.

Vrijmetselarij is kunst, koninklijke kunst, geen dorre zedenleer. Wat mij betreft noemen we vrijmetselarij religieuze kunst, want ze verwijst steevast naar een ‘hogere’ werkelijkheid, een gebied dat zich aan de menselijke waarneming onttrekt zoals dat ook bij de bewoners van de grot van Plato het geval was. De betovering van die magische werkelijkheid buiten onze grenzen brengt wetenschappers en kunstenaars misschien nog wel meer in verrukking dan schriftgeleerden en grootinquisiteurs. We kunnen toch niet meer met droge ogen beweren dat alleen christenen de ‘Matthäus Passion’ diep kunnen doorvoelen.

Heilige boeken hebben de neiging tot splijtzwammen uit te wassen, bronnen van strijdkreten voor zeloten die met kromzwaard of kruis ten strijde trokken tegen wie het waagde de zogenaamde ‘laatste waarheden’ te betwijfelen. Vrijmetselaren komt de eer toe over de grenzen van het eigen godsdienstige gelijk heen te stappen en de broederhand uit te steken naar ieder die oprecht op zoek is naar een zingevende levensvisie.

Vrijmetselarij streeft ernaar mensen bijeen te brengen die overeenstemmen in religie, níet in godsdienst; hun levensbeschouwelijke denominaties blijven een zaak van de individuele vrijmetselaren, maar domme godloochenaars en/of onreligieuze godloochenaars mogen ze niet zijn – u hoort de echo van dominee Anderson, opsteller van de eerste constituties van de Londense Grootloge.

Die Anderson – zelf geen vrijmetselaar – liet in 1723 in opdracht van de oprichters van de eerste Londense grootloge de Old Charges het licht zien die onderdeel vormden van de eerste zogenaamde ‘Constitutions’ voor vrijmetselaren. Hij deed dat in bewoordingen die ook 44 jaar na mijn opname in de loge CVA mijn hart altijd weer sneller laten kloppen:

“A Mason is oblig’d by his Tenure, to obey the moral law; and if he rightly understands the Art, he will never be a stupid Atheist nor an irreligious Libertine. But though in ancient Times Masons were charg’d in every Country to be of the Religion of that Country or Nation, whatever it was, yet ’tis now thought more expedient only to oblige them to that Religion in which all Men agree, leaving their particular Opinions to themselves; that is, to be good Men and true, or Men of Honour and Honesty, by whatever Denominations or Persuasions they may be distinguish’d; whereby Masonry becomes the Center of Union, and the Means of conciliating true Friendship among Persons that must have remain’d at a perpetual Distance.”

Ik hoop dat duidelijk is dat dit stuk voortgekomen is uit een onverwoestbare liefde voor de vrijmetselarij, een revolutionaire methode om boven particuliere en tijdgebonden culturele strijdpunten uit te stijgen in een persoonlijke omgang van liefdevolle aandacht voor elkaar. Die methode verdient het niet te fossiliseren in een stoffig hoekje van de maatschappij.

Het is aan steeds nieuwe generaties vrijmetselaren om de vorm die ons doorgegeven is van nieuwe inhoud te voorzien, een inhoud die niet alleen refereert aan de eeuwige zoektocht van de mens naar het geheim van het leven, maar evenzeer aan de uitdagingen van de eigen tijd om die zoektocht in volle vrijheid te kunnen blijven gaan.

Wij treden die zoektocht niet tegemoet als hoeders van onwrikbare geestelijke zekerheden, maar als beoefenaren van kunst – kóninklijke kunst in de symbolische voetsporen van koning Salomo, en van scheppers van de geestelijke kathedraal van de vrijmetselarij, bouwmeesters als Jean Theophile Desaguliers, George Washington, prins Willem Frederik van Oranje-Nassau, Friedrich Ludwig Schröder, Eugène Félicien Albert graaf Goblet d’Alviella, Simon Bolivar, W.H. Denier van der Gon, en… onze eigen Henri Knap; zij allen brachten beslissende veranderingen aan in het bouwplan op het tekenbord van ‘de’ vrijmetselarij.

Zo zijn er in de zoals dat heet ‘felbewogen’ geschiedenis van de vrijmetselarij voorbeelden te over ter inspiratie, niet ter klakkeloze navolging. Wij beoefenen die kunst in de stijl der vrijmetselaren, en die stijl is niet alleen ontsproten aan de passer en de winkelhaak van de grote voorgangers, maar ook aan de hamer en beitel van de logeleden die het bouwwerk van zulke kleurrijke versieringen hebben voorzien.

Denk aan Philip Duke of Wharton, in 1723 geïnstalleerd als grootmeester van de Premier Grand Lodge en een legendarische losbol. Denk aan Pierre Choderlos de Laclos, schrijver van ‘Les liaisons dangereuses’, onlangs flonkerend opnieuw vertaald als ‘Riskante relaties’. Denk aan Félicien Rops, de Belgische symbolist die een ménage à trois had met twee zussen en van beiden een kind kreeg. En natuurlijk mogen we ook denken en de wat bravere maçons uit de ‘stille leerschool van de deugd’ die de vrijmetselarij in het negentiende-eeuwse Nederland geacht werd te zijn, en die de huidige ‘MeToo’-storm wél zonder kleerscheuren doorstaan zouden hebben.

Nóg zijn wij de koningen van de schepping, en een van de opdrachten die ik voor de vrijmetselarij van de toekomst zie, is dat wij dat blijven. De kunstzinnige prestaties van geprogrammeerde robots blijven voorlopig nog op het prilste kleuterniveau steken, maar dat is geen reden om maar in geruste menselijke superioriteit te gaan slapen. Transhumanisme is de uitdaging om onszelf opnieuw uit te vinden.

De parallel met de uitdaging van de vrijmetselarij is met gemak te trekken. Op ons komt het aan. Als wij onze vrijmetselarij programmeren als een statisch complex van nullen en enen, kunnen we straks robots maken die betere vrijmetselaren zijn dan wij, net zoals ze ons nu al ruimschoots de baas zijn met schaken en go.

Maar als wij – ik haal er een sinister kernwoord van digitale manipulatie bij – algoritmes bedenken om uit de klauwen te blijven van de wezenloze creaturen van de Great Architects of Cyber Space, kunnen wij zélf die ‘voortstuwende wereldorde’ worden waaraan we ons vroeger nog moesten onderwerpen.

Wij zijn het aan onze glorieuze naam als loge fondatrice verplicht de open geest van onze founding fathers in ere te houden, de ziel van de vrijmetselarij te koesteren, met rituelen die zich verre houden van sektarische interpretaties, met comparities waarin wij samen tonen hoe de beleving van het ritueel in open loges een gedachtewisseling in welwillende aandacht voor anderen stimuleert, en met acties in het Westen die met geestdrift de open verbinding tussen mensen bevorderen.

“Een middelpunt van vereniging en een middel om personen in ware vriendschap tot elkaar te brengen, die anders voor eeuwig van elkaar gescheiden hadden moeten blijven,” zo zei Anderson het. Oftewel: “Concordia Vincit Animos – saamhartigheid verbindt zielen.” Daarmee kunnen we in het volste vertrouwen op eigen wijsheid, kracht en schoonheid terug naar het Westen.

Wil je ook meepraten over hoe we de doelstelling in het Manifesto 2018 realiteit kunnen laten worden? Word dan lid van de nieuwe besloten Facebook-groep ‘Manifesto 2018’. Aanmelden kan hier

Willem Verstraaten

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.