Inspirerend hemelvuur

Een ‘bloedmaan’, vallende sterren, beelden uit uithoeken van het universum die miljoenen lichtjaren van ons verwijderd liggen, we worden deze zomer vergast op feeërieke tekenen aan de hemel die onze voorvaderen en –moederen gesterkt zouden hebben in hun religieuze gevoelens.

Waar die sterk opgeleefde belangstelling voor verschijnselen in de ruimte nou vandaan komt, was de vraag in een zomerse talkshow. Wetenschapsjournalist Govert Schilling vond dat zijn beroepsgroep daar zeer aan had bijgedragen, met prikkelende artikelen en geestverruimende afbeeldingen.

Dat zal zeker waar zijn, maar mij bekroop toch vooral de gedachte dat de geseculariseerde mens van nu in die hemelverschijnselen ook een stille wenk ziet om toch vooral niet voorgoed te vervreemden van die lichtende vonk die ooit het spirituele vuur in ons ontstak.

Diezelfde gedachte vormde de kern van een van de allereerste bouwstukken die ik in de loge opleverde, meer dan vier decennia geleden.

Enkele alinea’s daaruit:

Toen ik een jaar of vijftien was gaf mijn tekenleraar Tjomme de Vries, een bekende amateur-astronoom, op een avond laat in het lesjaar een demonstratie van de telescoop. Na afloop reed ik met mijn vriend Bob op de fiets naar huis, en voor de deur bleven we nog wat napraten. Ik keek nog eens omhoog naar de heldere sterrenhemel, en voor het eerst werd ik bevangen door de stomme verbazing over de schepping, een verbazing waar ik nog steeds niet van bekomen ben.

Bob is al jaren geleden overleden, maar het licht dat ik die avond zag in de sterrenhemel is nooit meer gedoofd. Als je eenmaal het licht hebt gezien, wordt het misschien af en toe verduisterd, maar je verliest het nooit meer uit het oog. Vanaf het moment dat ik het voor het eerst zag, was ik mijn katholieke geloof kwijt. Ik was vol jeugdige overmoed en dacht dat ik de weg naar dat licht wel alleen kon gaan. Het zou nog vele jaren duren voordat ik de eerste medereizigers op diezelfde weg zou ontmoeten.

“De simpele beschouwing van de hemeltrans veroorzaakt reeds een religieuze ervaring,” zegt Mircea Eliade in ‘Het heilige en het profane’. Het lijkt me de vraag of de eerste ruimtereizigers dat konden beamen, maar voor mij begon het daar wel mee. Met de verbazing, waarvan David Horrobin zegt: “Ik tart de grootste cynicus zich niet te verbazen als hij op een heldere nacht in een rotskloof van de Himalaya staat en van het ijs van Annapurna opziet naar de glinsterende sterren.”

Ook anno 2018 vinden mannen en vrouwen in de loge een sfeer waarin dat geestelijke vuur voor verlichting van de dagelijkse werkelijkheid zorgt, waarin zij in vrijheid hun geestelijke waarden kunnen koesteren en vervolmaken zonder zich aan sektarische wetten te onderwerpen, waarin zij in stilte hun wensen kunnen uitspreken voor een menselijke wereld die niet alleen draait om geld, succes en macht en waarin de schittering van het leven niet vervangen is door het surrogaat van blingbling.

“Outside these walls the world is going fucking crazy,” zei Little Steven een paar maanden geleden in De Groene Amsterdammer tegen Leon Verdonschot. En de voormalige gitarist van Bruce Springsteen, met zijn Disciples of Soul hoog geacht in de tempels van de popmuziek, voegde eraan toe dat het dus belangrijker is dan ooit “to gather in cathedrals like these for a little spiritual nourisment. And there ain’t no spiritual nourishment like real live music.”

Wat mij betreft biedt de loge even krachtige geestelijke voeding als Paradiso of Pinkpop. Laat die loge een vrijplaats blijven voor zoekers naar een licht dat méér doet dan led en halogeen, het licht van boven waaraan de kathedralenbouwers overvloedig toegang gaven, het licht dat in de meest uiteenlopende religies en maatschappijvisies de verbeelding voedt, het licht van multifocale menselijkheid dat in de loge broeders en zusters in hun caleidoscopische verscheidenheid beschijnt.

Willem Verstraaten

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.